Een vergelijkende analyse van Europese, Amerikaanse en Oost-Aziatische populaties op basis van de NEO-FFI-schaal. Dit onderzoek bouwt voort op het baanbrekende werk van Costa en McCrae (1985), die de NEO Personality Inventory (NEO-PI) publiceerden, gevolgd door de NEO-FFI (Costa & McCrae, 1989). Saucier (1998) ontwikkelde 13 subschalen voor de NEO-FFI, die een hoge alfa-betrouwbaarheid vertoonden. Het doel van deze studie is het analyseren van de psychometrische eigenschappen van de Big Five-persoonlijkheidskenmerken in Oost-Aziatische en westerse steekproeven, met als doel de culturele contexten van het Oosten en het Westen waarin de steekproeven zich bevinden te verkennen. Gezien de lengte van de NEO-PI-R (240 items), waarvan is aangetoond dat deze leidt tot onbetrouwbare steekproefprecisie (Jones, 2019), maakte deze studie gebruik van de NEO-FFI-schaal, die willekeurig “inconsistente respons”-items bevat.
1. Onderwerp en methoden
1.1. Onderwerpen
In totaal namen 1.812 deelnemers deel aan het onderzoek, van wie er 1.607 het vragenlijstgedeelte van het onderzoek hebben ingevuld. De vergelijkingsgroep voor de primaire schaal bestond uit de Europese en Amerikaanse Groep A, terwijl de vergelijkingsgroep voor de subschalen bestond uit de Europese en Amerikaanse Groep B. Zie tabel 1 voor meer informatie.

1.2 Methodologie
In dit onderzoek werd de NEO-FFI-schaal gebruikt om de deelnemers te beoordelen. Daarnaast werd een willekeurige selectie van tien items in de F-schaal opgenomen om na te gaan of de deelnemers willekeurig antwoordden. Deze aanpak werd gekozen om de nauwkeurigheid van de geldige vragenlijsten te vergroten.
2 resultaten
De samenstelling naar geslacht en het opleidingsniveau van de steekproefgroepen bleken vergelijkbaar te zijn; daarom houdt de volgende analyse geen rekening met significante verschillen in het begrip van de schaal bij de deelnemers.
2.1 Vergelijking van de belangrijkste schalen
Zoals blijkt uit tabel 2, is er op de primaire schalen een duidelijk verschil te zien in de gemiddelde scores en standaardafwijkingen tussen de Europese en Amerikaanse steekproeven enerzijds en de Oost-Aziatische steekproeven anderzijds.

2.2 Vergelijking van de belangrijkste schalen tussen Oost-Aziatische mannen en Oost-Aziatische vrouwen
De gemiddelde scores en standaardafwijkingen op de belangrijkste schalen voor de steekproeven van Oost-Aziatische mannen en vrouwen worden weergegeven in tabel 3.

2.3 Vergelijking van de scores op de subschalen
Zoals blijkt uit tabel 4, is er een duidelijk verschil waarneembaar in de gemiddelde scores en standaardafwijkingen van de subschalen tussen de Europese en Amerikaanse steekproeven enerzijds en de Oost-Aziatische steekproef anderzijds.

3. Conclusies/Discussie
Uit de gegevens blijkt dat er, als gevolg van verschillen in sociale waarden en sociale omgevingen tussen Oost-Aziatische en westerse bevolkingsgroepen, aanzienlijke verschillen in de meetresultaten bestaan.
3.1 Primaire schalen
3.1.1 Neuroticisme
De neuroticisme-schaal geeft een indicatie van iemands emotionele stabiliteit. Mensen die hoog scoren op deze schaal hebben vaker last van angst en depressie, en hun emotionele schommelingen zijn sterker.
Er werd een significant verschil vastgesteld tussen de scores voor neuroticisme van de westerse steekproef en die van de Oost-Aziatische steekproef, met een matige effectgrootte (d = -0,428). Deze bevinding suggereert dat westerse bevolkingsgroepen in feite een grotere emotionele stabiliteit vertonen, wat in tegenspraak is met de gangbare opvatting dat „Oost-Aziaten emotioneel terughoudender zijn“. Hoewel deze discrepantie wel degelijk bepaalde praktische gevolgen heeft, is de omvang ervan beperkt en moeten interpretaties met de nodige voorzichtigheid worden geformuleerd.
De volgende factoren kunnen in dit verband van belang zijn:
(1) Culturele factoren
In westerse culturen wordt mensen aangemoedigd om hun emoties actief te uiten. In Oost-Aziatische culturen daarentegen ligt de nadruk meer op de algehele harmonie.
In Oost-Aziatische culturen ligt de nadruk op collectieve verantwoordelijkheid en maatschappelijke normen, terwijl in westerse culturen individualisme en zelfacceptatie worden aangemoedigd.
(2) Sociale omgeving
In Oost-Aziatische samenlevingen heerst momenteel een intense concurrentie, wat leidt tot een aanzienlijke druk op individuen wat betreft onderwijs en carrièremogelijkheden. In westerse samenlevingen daarentegen ligt de nadruk doorgaans meer op individuele gevoelens.
(3) Gedragspatronen
Er is aangetoond dat Oost-Aziatische culturen de neiging hebben tot externe attributie, waarbij stress wordt toegeschreven aan sociale en omgevingsfactoren. Daarentegen is waargenomen dat westerse culturen de neiging hebben tot interne attributie, die wordt gekenmerkt door een nadruk op persoonlijke controle.
In Oost-Aziatische culturen wordt mensen aangemoedigd hun emoties te onderdrukken, terwijl in westerse culturen mensen worden aangemoedigd hun emoties op het juiste moment te uiten.
3.1.2 Extraversie
De term ‘extraversie’ wordt gedefinieerd als een persoonlijkheidskenmerk dat tot uiting komt bij mensen die zeer sociaal, enthousiast en proactief zijn in hun zoektocht naar prikkels.
Er werd een significant verschil waargenomen in de scores voor extraversie op de schaal tussen de westerse steekproef en de Oost-Aziatische steekproef, met een grote effectgrootte (d = 2,593).
De volgende factoren kunnen in dit verband van belang zijn:
(1) Sociaal-culturele factoren
In westerse culturen wordt zelfexpressie doorgaans aangemoedigd, terwijl Oost-Aziatische culturen worden gekenmerkt door een grotere terughoudendheid en een sterkere aandacht voor de mening van anderen.
(2) Sociale omgeving
De sociale context in Oost-Azië wordt gekenmerkt door een nadruk op discipline en het vasthouden aan traditionele waarden. Westerse samenlevingen daarentegen worden gekenmerkt door het stimuleren van actieve interactie met anderen en een neiging tot zelfvertrouwen.
In Oost-Azië kan een overdreven extravert karakter worden gezien als een gebrek aan zelfbeheersing, terwijl extraversie in het Westen doorgaans wordt beschouwd als een positieve persoonlijkheidskenmerk.
(3) Gedragspatronen
Er is aangetoond dat een lagere mate van extraversie wijst op een neiging tot introspectie in plaats van sociale interactie. Dit kan van invloed zijn op de manier waarop emoties worden uitgedrukt en op het vermogen van het individu om met stress om te gaan.
3.1.3 Openheid
De schaal voor openheid geeft aan in hoeverre iemand openstaat voor nieuwe ervaringen, abstract denken en artistieke waardering. Mensen met hogere scores vertonen doorgaans een grotere neiging tot verkenning en innovatie.
De scores voor openheid bleken in de westerse steekproeven aanzienlijk lager te zijn dan in de Oost-Aziatische steekproeven, met een aanzienlijke effectgrootte (d = -1,839). Deze uitkomst lijkt in tegenspraak te zijn met eerdere aannames over culturele verschillen op het gebied van openheid.
De volgende factoren kunnen bij dit verschijnsel een rol spelen:
(1) Culturele factoren
Hoewel westerse samenlevingen erom bekend staan individualisme en innovatie te stimuleren, is het belangrijk op te merken dat bepaalde sociale groepen mogelijk minder openstaan voor nieuwe ideeën (vooral in de huidige, steeds conservatiever wordende maatschappij).
De afgelopen jaren heeft Oost-Azië een snelle economische, technologische en culturele transformatie doorgemaakt, waardoor Oost-Aziaten ruimdenkender zijn geworden en zich beter hebben aangepast aan de steeds veranderende eisen van de samenleving.
(2) Onderwijs en cognitieve stijlen
De afgelopen jaren heeft het Oost-Aziatische onderwijssysteem een verschuiving doorgemaakt naar een meer diverse en ruimdenkende aanpak, wat mogelijk heeft bijgedragen aan hogere scores op het gebied van openheid onder Oost-Aziaten.
Hoewel westerse culturen over het algemeen openheid van geest bevorderen, is het belangrijk om op te merken dat bepaalde sociale groepen minder open kunnen zijn als gevolg van uiteenlopende omgevingsfactoren, waarden of politieke standpunten.
(3) De sociale omgeving is
In Oost-Azië zijn nieuwe technologieën en bedrijfsmodellen voortdurend in ontwikkeling, een situatie die Oost-Aziaten ertoe zou kunnen aanzetten een meer open houding aan te nemen.
De invloed van loopbaanontwikkelingsmodellen op de houding van individuen ten opzichte van nieuwe omgevingen en ideeën is een onderwerp dat in talrijke studies aan de orde is gekomen. Zo kan de huidige hevige concurrentie op de arbeidsmarkt in Oost-Azië ertoe leiden dat mensen meer openstaan voor vernieuwende concepten, terwijl in westerse landen bepaalde traditionele sectoren wellicht meer vertrouwen op bestaande ervaringen en cognitieve kaders.
3.1.4 Vriendelijkheid
De schaal voor vriendelijkheid geeft een indicatie van eigenschappen als samenwerkingsbereidheid, empathie, vertrouwen en altruïsme. Mensen die op deze schaal hoog scoren, zijn meer geneigd om de sociale harmonie te bewaren.
De scores voor ‘Vriendelijkheid’ van de Europese en Amerikaanse steekproeven bleken significant hoger te zijn dan die van de Oost-Aziatische steekproeven, met een grote effectgrootte (d = 1,503).
De volgende factoren kunnen in dit verband van belang zijn:
(1) culturele factoren
Het is bekend dat Europese en Amerikaanse culturen mensen aanmoedigen om zich proactief te uiten en positief sociaal gedrag te vertonen. Oost-Aziatische culturen zijn daarentegen doorgaans terughoudender.
Er is een tendens waargenomen dat westerlingen zich in het openbaar vriendelijk en meewerkend gedragen. Oost-Aziaten daarentegen blijken zich relatief terughoudend te gedragen.
(2) Sociale omgeving
De sociale context in Oost-Azië wordt gekenmerkt door een nadruk op discipline en traditionele waarden, terwijl de sociale context in het Westen eerder proactief sociaal gedrag stimuleert.
In westerse culturen wordt vriendelijkheid doorgaans gezien als een positieve karaktereigenschap. In Oost-Aziatische culturen daarentegen kan overmatige vriendelijkheid door anderen worden opgevat als een gebrek aan daadkracht.
(3) Gedragspatronen
Een hogere mate van vriendelijkheid kan erop wijzen dat iemand meer geneigd is tot samenwerkingsgericht gedrag en zich in sociale situaties vriendelijk gedraagt.
3.1.5 Plichtsbewustzijn
De schaal voor consciëntieusheid geeft een indicatie van eigenschappen zoals zelfdiscipline, verantwoordelijkheidsgevoel en doelgerichtheid. Mensen die op deze schaal hoog scoren, hechten doorgaans meer waarde aan orde en planning.
Er werd een aanzienlijk verschil waargenomen in de scores voor consciëntieusheid tussen de twee steekproeven; de westerse steekproef scoorde hoger, met een aanzienlijke effectgrootte (d = 2,920).
De volgende factoren kunnen in dit verband van belang zijn:
(1) Culturele factoren
Het is bekend dat westerse culturen individuele onafhankelijkheid aanmoedigen en veel waarde hechten aan persoonlijke verantwoordelijkheid en zelfmanagement. Oost-Aziatische culturen leggen daarentegen doorgaans de nadruk op relatief flexibele interpersoonlijke relaties.
(2) Sociale omgeving
Er is aangetoond dat in de sociale context van westerse landen meer nadruk wordt gelegd op tijdmanagement en het stellen van doelen, waardoor zelfmotivatie wordt gestimuleerd (Jones, 2019). Daarentegen valt op dat in de sociale context van Oost-Azië meer nadruk wordt gelegd op aanpassingsvermogen en collectieve samenwerking (Smith, 2021).
In westerse culturen wordt consciëntieusheid doorgaans gezien als een positieve persoonlijkheidskenmerk. In Oost-Aziatische culturen daarentegen worden flexibiliteit en aanpassingsvermogen wellicht als belangrijker beschouwd.
(3) Gedragspatronen
Er is aangetoond dat een grotere standvastigheid kenmerkend is voor personen die eerder geneigd zijn om duidelijke doelen voor zichzelf te stellen en tijdens de uitvoering van een taak een sterk verantwoordelijkheidsgevoel te behouden.
In westerse culturen wordt mensen vaak aangemoedigd om zowel in hun gedrag als in hun emoties een hoge mate van zelfbeheersing te betrachten, terwijl Oost-Aziatische culturen mensen juist aanmoedigen om hun gedrag aan te passen aan de omgeving.
3.2 Subschalen
In het kader van dit onderzoek wordt erkend dat de beschikbare ruimte beperkt is. Daarom is besloten dat de analyse zal worden uitgevoerd op de twee subschalen die de grootste verschillen vertonen.
3.2.1 Zelfverwijt
De subschaal ‘Zelfverwijt’ geeft aan in hoeverre mensen zelfkritiek uiten op hun eigen fouten. Mensen die hier hoog scoren, hebben de neiging om problemen toe te schrijven aan hun eigen tekortkomingen.
De scores voor zelfverwijt bij de westerse steekproef bleken significant lager te zijn dan die bij de Oost-Aziatische steekproef, met een grote effectgrootte (d = -2,161).
De volgende factoren kunnen in dit verband van belang zijn:
(1) Culturele factoren
In Oost-Aziatische culturen ligt de nadruk op sociale verantwoordelijkheid en groepsidentiteit. Mensen in deze culturen hebben de neiging zichzelf de schuld te geven wanneer ze niet aan de maatschappelijke verwachtingen voldoen. In westerse culturen daarentegen ligt de nadruk meer op zelfacceptatie en onafhankelijkheid.
In Oost-Aziatische culturen wordt zelfreflectie en bescheidenheid aangemoedigd, waardoor mensen geneigd kunnen zijn mislukkingen aan hun eigen tekortkomingen toe te schrijven. In westerse culturen daarentegen ligt de nadruk meestal op persoonlijke prestaties.
(2) Sociale omgeving
De sociale context in Oost-Azië wordt momenteel gekenmerkt door hevige sociale concurrentie, waarbij mensen hoge verwachtingen koesteren ten aanzien van onderwijs en carrièremogelijkheden. Daarentegen wordt er in Europa en de Verenigde Staten meer tolerantie getoond ten aanzien van individuele prestaties op deze gebieden.
(3) Gedragspatronen
Er is vastgesteld dat Oost-Aziaten de neiging hebben tot externe attributie, waarbij ze mislukkingen aan hun eigen verantwoordelijkheid toeschrijven. Daarentegen is gebleken dat Europeanen en Amerikanen de neiging hebben tot interne attributie, waarbij ze mislukkingen toeschrijven aan externe of objectieve factoren.
Er is aangetoond dat Oost-Aziatische culturen het onderdrukken van emoties aanmoedigen, terwijl westerse culturen juist het uiten van emoties en psychologische regulatie stimuleren.
3.2.3 Prosociale oriëntatie
De term ‘prosociale oriëntatie’ wordt gedefinieerd als de neiging van een persoon om anderen actief te helpen, samen te werken en het maatschappelijk welzijn te bevorderen. Hieronder vallen altruïstisch gedrag, empathie en een gevoel van maatschappelijke verantwoordelijkheid. De Prosocial Orientation Scale is een instrument dat is ontwikkeld om de prosociale neigingen van een persoon te beoordelen.
Er werd een aanzienlijk verschil waargenomen in de resultaten van de schaal voor prosociale oriëntatie: westerlingen scoorden hoger dan Oost-Aziaten. Dit verschil was aanzienlijk, met een grote effectgrootte (d = 0,635).
De volgende factoren kunnen bij dit verschijnsel een rol spelen:
(1) Culturele factoren
In westerse culturen ligt de nadruk sterk op persoonlijke verantwoordelijkheid en maatschappelijke bijdrage. Oost-Aziatische culturen daarentegen laten zich in de praktijk wellicht meer leiden door sociale normen dan door eigen initiatief.
In westerse culturen ligt er meer nadruk op vrijwilligerswerk; mensen nemen daar vaker deel aan liefdadigheids- en gemeenschapsactiviteiten. Daarentegen komt prosociaal gedrag in Oost-Azië wellicht meer tot uiting binnen het gezin en in vertrouwde sociale kringen.
(2) Sociale omgeving
De sociale omgeving in westerse samenlevingen stimuleert actieve deelname aan maatschappelijke activiteiten en biedt ruime mogelijkheden voor sociale ondersteuning. Daarentegen lijkt prosociaal gedrag in Oost-Aziatische samenlevingen sterker beïnvloed te worden door sociale netwerken.
In westerse samenlevingen ligt de nadruk meer op maatschappelijke verantwoordelijkheid en vrijwilligerswerk, terwijl in Oost-Aziatische samenlevingen de nadruk meer ligt op individuele academische en loopbaanontwikkeling.
(3) Gedragspatronen
Bij mensen in het Westen is een neiging tot interne attributie waargenomen, waarbij het helpen van anderen wordt gezien als een onderdeel van persoonlijke waarden. Daarentegen is bij Oost-Aziaten een neiging tot externe attributie waargenomen, waarbij prosociaal gedrag wordt gezien als een maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Voorbeeld van een NEO-FFI-rapport